ICT-vaardigheden

Bij ICT-vaardigheden gaat het om de volgende vier onderwerlpen:

Basisbegrip ICT:
het kunnen benoemen van functies van computers en computernetwerken;


Infrastructuur:
het kunnen benoemen, aansluiten en bedienen van hardware, het kunnen bedienen van verschillende apparaten en programma's en het kunnen opslaan en toegankelijk maken van informatie.


Standaardtoepassingen:
het kunnen omgaan met standaard-kantoortoepassingen en andere softwareprogramma's voor onder meer internetgebruik, beeldbewerking, samenwerking en betalingsverkeer.


Veiligheid:
het op de hoogte zijn van - en kunnen omgaan met - beveiligings- en privacyaspecten in het kader van persoonlijke en financiële gegevens.



Informatievaardigheden

Zoeken op internet is voor veel leerlingen een dagelijkse bezigheid geworden. Uit de miljoenen websites op internet moeten zij de juiste informatie weten te vinden.

Maar ook via kranten, sociale media, tv, online gemeenschappen komt veel informatie op leerlingen af. Ook daar is het belangrijk om zin en onzin van elkaar te scheiden.

Informatievaardigheden zijn vaardigheden die leerlingen helpen bij het zoeken, vinden, beoordelen en verwerken van informatie.

Leerlingen moeten zich de volgende vragen leren stellen:
•   Hoe zoek ik op internet?
•   Hoe formuleer ik een goede zoekvraag?
•   Welke zoekwoorden gebruik ik?
•   Wat is een goede zoekstrategie?
•   Wat staat er in de tekst?
•   Wat is de afkomst van de tekst?
•   Hoe weet ik of de informatie betrouwbaar is?




Mediawijsheid

Leerlingen komen op verschillende manier met allerlei media in aanraking. Bij mediawijsheid gaat het om vaardigheden die leerlingen nodig hebben om actief en bewust deel te kunnen nemen aan de informatiesamenleving.

Mediawijsheid wordt uitgesplitst in:

Weten wat media is en doet:
inzicht hebben in de medialisering van de samenleving, begrijpen hoe media gemaakt worden, zien hoe media de werkelijkheid kleuren.

Omgaan met media:
apparaten, software en toepassingen gebruiken, je kunnen oriënteren binnen mediaomgevingen.

Werken met media:
informatie vinden en verwerken, content creëren, participeren in sociale netwerken.

Mediastrategie: doelen realiseren met media, reflecteren op het eigen mediagebruik.



Computational thinking

Computational thinking richt zich op de vaardigheden die essentieel zijn om problemen op te lossen waarbij veel informatie, variabelen en rekenkracht nodig zijn.

Het is daarbij belangrijk om te begrijpen hoe informatie tot stand komt zodat je computersystemen kan benutten voor probleemoplossen, voor het denken in stappen en daarmee in voorwaardelijkheden voor volgorde van de benodigde gegevens.

Computertechnologie gebruiken bij het zoeken naar oplossingen betekent inzicht krijgen in algoritmes (een reeks instructies om vanaf een beginpunt een bepaald doel te bereiken) en procedures (een verzameling activiteiten die in een bepaalde volgorde moet worden uitgevoerd) (bron: SLO).


Deze module is nog in ontwikkeling.